Logo Liz Ditters

Zienderogen

Zou de krokodil ze allebei nog hebben? Oh, wat ben ik benieuwd. ‘Willen jullie wel eens even doorlopen!’ roep ik over mijn schouder naar Edelhert en oma.

Edelhert had vorige week het linkeroog gekozen en ik het rechter. Hij was er zó zeker van, dat de vogels zijn oog met rust zouden laten. Maar ik heb, toen hij even niet keek, mijn krokodillenoog extra goed vastgeklemd, met een platte kiezel. En dát weet hij niet.
Nog maar een paar minuten. Dan zijn we er. En vanmiddag naar Kraantje Lek, mijn dag kan niet meer stuk! Misschien gaan we zelfs nog poffertjes eten.
Edelhert stoot me aan en wijst. Ik zie nog net een eekhoorntje een boom in schieten. ‘Ik zag hem het eerst,’ zegt Edelhert, terwijl hij met zijn tak één lange streep in het zand trekt. Als je achterom kijkt, kun je precies zien, waar we hebben gelopen.
Bijna zijn we bij de krokodil, na die bocht daar in de verte.
Bij mijn ene voet zie ik een zeldzame schelp liggen, die ik voorzichtig opraap. Het is een lichtblauwe en ik haal oma’s zakdoek uit mijn vest om hem op de grond uit te spreiden. Voorzichtig leg ik de schelp erop. Dan denk ik weer aan de krokodil. Ik sta op, want eigenlijk heb ik helemaal geen tijd voor schelpen. Maar ik houd hem toch maar, als aandenken.
Daar is de bocht al.

Oma vraagt of we even willen stoppen voor een foto. ‘Er is hier ergens een goed plekje met veel zon,’ zegt ze. ‘Aha, hier is het.’ Ze loopt het meer in. Goed dat we aan regenlaarzen gedacht hebben.
Ik ga op een boomstronk zitten en lach naar haar, terwijl ik een steentje in mijn witte laars met mijn tenen naar voren probeer te duwen. Het lukt. Mijn pony hangt half voor mijn ogen. Met mijn vrije hand duw ik een pluk opzij, die even later terugvalt.
‘Ferdinand!’ roept oma boos. Wat klinkt ze vermoeid. ‘Kom er eens bij zitten. Stamp niet zo door dat water, want mijn fototoestel wordt nat.’ Wat doet hij weer dwars. Maar vandaag maakt de naam Ferdinand geen indruk op hem. Hij blijft in het water staan kijken, hoe oma een foto neemt. Van mij alleen. Haha, Ferdinand en het krokodillenoog. Ik heb weer haast. En honger.

Toen ik oma vroeg of we vanmiddag weer poffertjes gingen eten, zei ze: ‘Misschien.’ Ze zei erbij dat het eigenlijk nog een verrassing was. Nou, toen wist ik genoeg!
Ik denk aan de helling van zand bij Kraantje Lek. Vloeibaar zand, dat zo lekker warm aanvoelt, als je je op je buik naar beneden laat glijden. Ik zou wel alle dagen van de vakantie met oma naar die speeltuin willen gaan. Maar Edelhert vindt het te kinderachtig. Nou, van mij mag hij thuisblijven.
Als ik me ver genoeg vooroverbuig, kan ik tussen mijn laarzen mijn spiegelbeeld in het meer zien. De grote rode kersen die aan de elastiekjes in mijn haar zitten. Waarom is mijn ene staartje veel dikker dan het andere? Dat is toch vreemd? Heb ik aan die kant meer haren? Maar het geeft niet, want ik zie er verder best leuk uit.
Naast me op de boomstronk zucht oma. Ze zit achterstevoren en wrijft over haar knieën. Edelhert komt nu ook zitten, aan de andere kant. Net als ik met de voeten in het water. Hij is klaar met spetteren.
Wie zou er winnen? In mijn gedachten ben ik alvast op zoek naar een nieuw oog.
Ik help oma een handje als we weer opstaan om verder te gaan. Terwijl ik haar fototoestel opraap, zie ik hem ineens liggen: de perfecte dennenappel. Achter de boomstronk; Edelhert heeft hem niet eens gezien. Yes!
Ineens zijn we bij de bocht.

Edelhert en ik beginnen als wilden te rennen, bang dat de ander vals zal spelen. Tegelijk komen we aan bij de holle, omgevallen boomstam en we leunen hijgend tegen zijn rug. Wat kan Edelhert hard rennen!
‘Klaar?’ vraagt hij. Ik knik. We buigen ons voorover om te kijken. Allebei de dennenappels zijn weg. Ik voel een golf van teleurstelling door me heen gaan. De witte kiezelsteen ligt er nog wel. Die heeft dus niets geholpen. Edelhert mompelt een vloek, en nog een, maar oma is nog te ver weg om het te horen.
‘Heb jij al een nieuw oog?’ vraagt Edelhert.
Ik laat hem het appeltje zien en hij probeert het uit mijn hand te grissen. Maar dáár heb ik op gerekend, triomfantelijk steek ik mijn tong uit. ‘Lekker puh, Fer-di-nand,’ zeg ik zachtjes.
‘Wat een goed oog,’ zegt hij verrast. Dat is wel aardig van hem. En hij blijft me strak aankijken terwijl hij een gave, brede dennenappel uit zijn jaszak haalt.
Ik probeer waarderend te fluiten, maar dat mislukt. Dat kan alleen Edelhert. ‘Ook mooi,’ zeg ik dan maar. En daarna: ‘Neem jij weer het linker?’
‘Nee.’ Nauwelijks merkbaar schudt hij zijn hoofd. ‘Nee, nu wil ik de rechterkant wel weer eens proberen.’ Hij kijkt achterom. Oma is nu ook bij de krokodil aangekomen.

‘Hoe is de stand?’ vraagt ze opgewekt terwijl ze haar fototoestel tevoorschijn haalt. Ze hijgt.
‘Drie tegen drie, nog steeds,’ zeggen we precies tegelijk.
Ik bekijk de verrotte tanden van de krokodil. Vandaag zou wel eens de laatste en beslissende keer kunnen worden, want hij ziet er niet goed uit. Eigenlijk heeft hij er altijd al ellendig uitgezien, met die holle ogen. ‘Hij gaat nu toch wel erg snel achteruit.’
‘Zienderogen,’ zegt oma. Maar dat woord ken ik niet.
We moesten zijn oogkassen maar weer snel opvullen.
Voorzichtig schuif ik mijn dennenappel in het gat links. Met mijn vuist begin ik erop te timmeren.
Edelhert springt op. ‘Niet doen…’
Maar ik probeer hem alleen nog wat dieper te krijgen.
De oogkas versplintert.
‘Stommerd!’ roept hij.

Ik vind het niet zo erg. Het is waarschijnlijk toch onze laatste wandeling aan het meer.
Best een mooie eindstand, drie tegen drie.