Logo Liz Ditters

De vlieger

Al vijf minuten heeft Merel zich niet meer bewogen. Languit ligt ze daar, op haar rug in het hoge gras onder de paardenkastanje. Een glas roosvicee staat onaangeroerd waar papa het heeft neergezet. Weet ze wel dat het er staat?
Ze knijpt haar ogen tot spleetjes. Een blauwe vlieger schiet met zo’n vaart door de lucht, dat ze hem steeds even uit het oog verliest. De lange groene staart vliegt er ritselend achteraan. Af en toe is het gewapper van het vliegerpapier te horen, als de wind draait. En soms, bij windstilte, glijdt de vlieger geruisloos naar beneden. Om even later, na een kort rukje, trillend omhoog te klimmen tot ver boven het donkere groen van de toppen van de bomen. Het is de allermooiste vlieger die ze ooit heeft gezien.

Het glas is halfleeg. Merel ligt op haar buik met haar onderbenen in de lucht en beweegt een blauw krijtje over het papier. Aan weerszijden van haar gezicht hangen vlechten, waarvan de uiteinden als kwasten over het papier strijken. Oliepastel is mooier dan gewoon vetkrijt of wasco. De olie geeft het dunne papier een diepe glans, zodat het doorzichtig lijkt.
Ingespannen gaat ze te werk. Nu en dan floept het puntje van haar tong over haar onderlip naar buiten.
Dan klinkt er opnieuw gefladder, ze rolt gauw op haar zij en probeert op het stipje in de lucht te focussen.
Deze keer is de vlieger felrood. De rozerode staart kleurt er prachtig bij. Tegen de blauwe hemel gloeit het rood zo, dat het pijn doet aan Merels ogen. Een snelle salto. Nog een. En daarmee verdwijnt de vlieger uit het zicht. Maar nee! Daar is hij weer. Boven de bosrand siddert hij een laatste keer. Betoverend mooi.

Merel gaat rechtop zitten en masseert haar nek. Voorzichtig kijkt ze om zich heen. Waar is rood? Ah, daar ligt het, bij het omgevallen glas. Of, toch maar geen rood? Ze draait zich op haar rug en sluit de ogen. De knieën van haar spijkerbroek voelen vochtig aan. In haar nek kriebelt een mier. Oei, kippenvel.
En daar is het weer. Heel dichtbij nu. Omdat ze de kleur wil raden houdt ze haar ogen gesloten. Hemelsblauw, of lichtblauw, bijna wit. Of nee, het roze met wit van een lelie. Melk. Met een lange oranjerode staart.
Maar Merel weet wat de werkelijke kleur is. Knalgeel. Dat voelt ze dwars door haar gesloten oogleden heen. Langzaam opent ze haar ogen en ziet tussen haar donkere wimpers de vlieger dansen. Zó dichtbij! Als ze wilde, zou ze hem kunnen aanraken. Nee, niet doen. Nog even genieten. Dan neemt de vlieger met een knikje afscheid. Een soort buiging is het. Hij lijkt teleurgesteld. Had ze hem tóch moeten vangen en vasthouden?
Dag, vlieger…

Het werk moet af. Geen stukje van het papier blijft wit. Voorzichtig legt Merel een kleurpotlood op het papier. Dan nog twee. Te weinig, ze heeft er nog zeker vijf nodig. Misschien op een andere manier? Ze verlegt de potloden. Nee.
Merel staat op en loopt het donkere huis binnen. Met een handvol potloden huppelt ze terug naar haar plekje bij de kastanje. Tussen de uitgebloeide pluimpjes ligt haar vlieger te wachten, bijna af. Snel aan de slag nu.
De potloden passen precies en Merel haalt een rolletje plakband uit haar broekzak. Op haar knie plakt ze afgebeten stukjes plakband. Zo, genoeg.
Met het eerste plakt ze heel nauwkeurig een potlood dwars op het papier. Een in het verlengde. Een vlecht, die van zijn plaats glijdt en in de weg hangt, wordt ongeduldig achter een oor gehaakt. Het puntje van haar tong komt steeds sneller naar buiten en ze kreunt geconcentreerd. Het zesde potlood is geel en het zevende ook. Er is een plakbandje te weinig.

Af. De vlieger ritselt alsof hij er al vandoor wil gaan. Waar is het glas? Dat kan mooi de vlieger tegenhouden. Ah, daar is het. Voorzichtig legt Merel het bovenop haar werkstuk. Een tevreden glimlach glijdt over haar sproetige gezicht, terwijl ze nog even op haar hurken blijft zitten om haar kunstwerk te bewonderen.
Op een drafje gaat ze het statige huis weer binnen om de staart te halen. Die ligt veilig opgeborgen te wachten. Want Merel heeft twee jonge zusjes met grijpgrage vingertjes. Daar is de staart al. En papa.
Opgewonden vraagt ze of papa meegaat om de vlieger uit te proberen. Maar papa heeft haar buiten bezig gezien. Hij fluistert, dat hij niet denkt dat de vlieger het zal doen. Te zwaar. Nee Merel, echte vliegers hebben een geraamte van heel dunne houtjes. Wil Merel een echte vlieger hebben? Morgen kopen we er een. Mag je zelf de kleur uitkiezen.
Maar Merel wil geen echte. Alleen haar eigen. En papa moet mee om hem op te laten. Heeft papa geen tijd? Toe pap, even maar.

En papa stemt toe. Samen lopen ze naar de grote open plek middenin het bos, hand in hand. Als papa de vlieger wil overnemen, schudt Merel haar hoofd. Ze heeft geen hulp nodig. Papa hoeft alleen maar te kijken. Met zijn gezicht steunend in zijn enorme handen, zit hij op een bankje de verrichtingen van zijn dochter gade te slaan.
Merel ontrolt wat touw en legt de vlieger op de grond neer, met de potloden naar boven. Dan laat ze nog wat touw van het klosje rollen en begint achteruit te lopen. De vlieger sleept over de grond en neemt een hoopje zand mee. Maar ze ziet het niet. Eén rukje aan het touw. Er scheurt iets. Gelukkig heeft Merel het rolletje tape meegenomen.
Deze keer rent ze wat harder. De vlieger stuitert drie keer en het touw breekt. Een diepe zucht ontsnapt uit Merels keel. Ze kijkt haar vader een lang moment aan.
Papa staat op maar Merel schudt haar hoofd. Haar rechter wijsvinger, aan het einde van haar gestrekte arm, gaat driftig heen en weer. Boos knoopt ze de twee uiteinden aan elkaar. En dan, na een korte ruk aan het touw, staat de vlieger hoog aan de hemel. Het papier, strak door de wind, maakt machtige fladdergeluiden. De staart met groene strikjes kronkelt als een slang achter de vlieger aan naar links, naar rechts. Even lijkt de blauwe vlieger recht boven de open plek stil te staan. Het touw hangt losjes naar beneden. Er gebeurt een tijdje niets. Het wordt kouder. Donkerder. Het blauw van de vlieger is bijna niet meer te onderscheiden van de lucht. Om haar evenwicht niet te verliezen, gaat Merel op de grond zitten. Ze is helemaal in de ban van het moment. Plots maakt de vlieger snel achter elkaar vier loopings en duikt omlaag, totdat hij bijna pats! tegen de grond slaat. Bijna, want net op tijd stijgt hij. Langzaam en sidderend. Het ritselen van het papier is bijna voelbaar. Merel ziet haar vlieger vloeiend van kleur veranderen. Van het felle blauw naar een frisse kleur groen. De kleur van gras in de lente, na een paar dagen regen. De vlieger stijgt nog steeds en danst. Wordt kleiner en kleiner en verandert nog een laatste keer van kleur. Roze.

Het is voorbij en ze weet het. Ja hoor, daar is het knikje al. Dag vlieger, goede reis. Dag stipje aan de hemel.
Merel zwaait en kijkt om naar waar ze haar vader vermoedt. Hij zit nog steeds op hetzelfde plekje. Maar niet met zijn hoofd steunend in zijn handen. Zijn gezicht is opgeheven. Met een zucht komt hij overeind en reikt naar haar toegestoken hand. Die omsluit hij met de zijne. Zwijgend lopen ze door het donker wordende bos terug naar het huis tussen de hoge kastanjebomen.